Column eerder gepubliceerd in het KLEI Keramiek Magazine 01.05.2017 

 

Ik ontmoet sieradenontwerper en keramist Ineke Heerkens in haar atelier in op het WG-terrein in Amsterdam. In de gang staat een grote doos met daarin nog in bubbeltjesplastic gewikkelde pakketjes. Ze is sinds een paar weken weer terug in haar studio na een intensieve werkperiode van drie maanden bij het EKWC – Europees Keramisch Werkcentrum – in Oisterwijk. 

Ze zeggen dat het atelier een reflectie is van de houding van maker. Als Heerkens mij met handgebaren uitlegt dat haar ontwerpen zijn zoals een tuin; het verlengde van het huis waarin alles geënsceneerd is maar tegelijkertijd de natuur zijn eigen gang gaat, en dat een sieraad op eenzelfde manier een verlengde van het lichaam is, dan voelt de rondleiding door haar atelier opeens alsof ik de vier seizoenen doormaak, als de cyclus van het creëren. Haar studio is namelijk verdeeld in vier propere ruimtes. In de eerste staat een mooie deuroven. Heerkens legt uit dat ze meestal haar objecten hangend bakt en dat deze oven haar daar het meeste zicht op geeft. Het doet mij denken aan een broedkast waar vlinderpoppen in hangen te wachten totdat zij een vlinder worden. In het vertrek ernaast heeft Heerkens haar eigen spuitcabine. Ze laat mij een prachtig slakachtig object zien dat ze gemaakt heeft waarin ze geëxperimenteerd heeft met het mengen verschillende kleisoorten en daarna deels een groen glazuur heeft opgebracht. De ruimte ernaast is de plek voor de edelsmid. De keuken omschrijft Heerkens als het textiel gedeelte. Hier komen alle verschillende componenten van het uiteindelijke sieraad samen.

Aantrekkelijke, maar tegelijkertijd 

vervreemde vormen.

Ze heeft een serie van haar nieuwste keramieken objecten voor mij uitgestald. Aantrekkelijke, maar tegelijkertijd vervreemde vormen. Aan de keuken tafel drinken we thee. Aan de muur hangt zorgvuldig geselecteerde inspiratie en uit een boekenkast pakt zij een goot boek om mij een andere bron te laten zien. We kijken samen naar Kan met deksel (1614) van zilversmid Adam van Vianen (1568 – 1627). Het is niet zomaar een kan. Het lijkt wel een vloeibaar geworden geheel van waaruit angstaanjagende half dier, half mensfiguren lijken op te duiken. Adam van Vianen werkte in de kwabstijl. Een stijl die ook wel oorschelpstijl werd genoemd, door het gebruik van ornamenten van organische vormen die doen denken aan de binnenkant van een schelp of een oor. Heerkens uitganspunt zijn haar eigen handen. Haar handen die letterlijk de dingen creëren, maken en vervormen. In een halve mal van haar hand duwt zij de klei door de geultjes van de vingers, steeds de handeling herhalend zodat de beweging zich manifesteert in de klei.

Als wild groeiende schelpen 

schuift Heerkens laag over laag 

totdat er organische ornamenten ontstaan.

De vingers verlengend en om zichzelf heen krullend. Als wild groeiende schelpen schuift Heerkens laag over laag totdat er organische ornamenten ontstaan. Heerkens bevraagd de grenzen van vorm, inhoud, materiaal en van het sieraad an sich. Opzoek naar de perfecte balans tussen het beheerste en het toevallige.

Meer informatie over Ineke Heerkens is te vinden op haar website: inekeheerkens.nl